Spanning zie je terug op vier plekken. Beweeg over de kolommen — herken je de signalen vroeg, dan kun je er nog iets mee.
Het gaspedaal zet je "aan": hart sneller, klaar voor actie. Het rempedaal zet je "uit": rust en herstel. Bij spanning geef je te veel gas — en rem je te weinig.
De ander leest je lijf, je gezicht en je stem — niet je woorden. Jouw rust (blauw) helpt de spanning van de ander (oranje) te zakken.
Je kunt je spanning zelf terugbrengen. Onthoud GAS: Gedachtensturing · Ademhaling · Spierspanning. We gaan ze alle drie doen.
En er is één basis onder alle drie: stevig staan.
Voeten recht onder je, op schouderbreedte. Knieën los, niet op slot. Laat je schouders en armen zwaar worden. Ontspan je nek en je gezicht.
Tip: druk het puntje van je tong zacht tegen je gehemelte, vlak achter je boventanden — zo ontspannen je kaken vanzelf.
Adem vooral goed uit. Hoe vaker je dit oefent als het rustig is, hoe beter het werkt als het spannend wordt.
Waar zit jouw spanning? Meestal in je kaken, je nek en je schouders. Span die plek even bewust aan — en laat dan los.
Jouw ontspannen houding is ook een signaal naar de ander: hier is het veilig.
Even aarden, twee keer diep ademen voordat je een lastig gesprek ingaat.
Merk je spanning op. Stuur je gedachten: wat gebeurt hier precies, wat is mijn taak?
Herstel: adem uit, schud het van je af. Spanning hoort bij het werk — blijven hangen in spanning niet.