Module 2 van 5

Begin bij jezelf

Spanning & zelfregulatie
Module 2 — Begin bij jezelf
Een bezoeker scheldt je uit.
Je hart slaat sneller. Je mond wordt droog.
Je kunt even niet goed nadenken.

Dat is heel menselijk. Jouw lijf maakt zich klaar voor actie.

Spanning herkennen

Vier vensters

Spanning zie je terug op vier plekken. Beweeg over de kolommen — herken je de signalen vroeg, dan kun je er nog iets mee.

Gevoel

  • angst
  • sneller boos
  • schrikachtig

Lichaam

  • snelle ademhaling
  • droge mond
  • verkrampte spieren
  • zweethanden

Gedachten

  • vernauwd denken
  • piekeren
  • besluiteloos
  • minder concentratie

Gedrag

  • vluchten
  • vechten
  • verstarren
  • impulsief reageren
Hoe je lijf werkt

Gas en rem

Het gaspedaal zet je "aan": hart sneller, klaar voor actie. Het rempedaal zet je "uit": rust en herstel. Bij spanning geef je te veel gas — en rem je te weinig.

Spanning loopt op in zones

Hoe hoger de spanning, hoe minder je kunt

Hoe eerder je je spanning terugbrengt, hoe meer je kunt.
Co-regulatie

Spanning is besmettelijk. Kalmte ook.

De ander leest je lijf, je gezicht en je stem — niet je woorden. Jouw rust (blauw) helpt de spanning van de ander (oranje) te zakken.

Even voor jezelf — geen goed of fout

Welke herken jij het meest?

"Mijn hart gaat tekeer en ik praat sneller."

Jouw gaspedaal staat vol open. Ademhaling en gedachtensturing (straks in GAS) zijn jouw knoppen.

"Ik klap dicht en zeg niets meer."

Verstarren is óók een stressreactie. Geaard staan en gedachtensturing helpen je weer in beweging.

"Ik word kortaf en geïrriteerd."

Spanning zoekt een uitweg. Herken het vroeg — dan blijft het bij een signaal.
beweeg over een uitspraak
Zelfregulatie

Drie knoppen: GAS

Je kunt je spanning zelf terugbrengen. Onthoud GAS: Gedachtensturing · Ademhaling · Spierspanning. We gaan ze alle drie doen.

En er is één basis onder alle drie: stevig staan.

De basis — doe mee

Sta zoals je erbij wilt staan

Voeten recht onder je, op schouderbreedte. Knieën los, niet op slot. Laat je schouders en armen zwaar worden. Ontspan je nek en je gezicht.

Tip: druk het puntje van je tong zacht tegen je gehemelte, vlak achter je boventanden — zo ontspannen je kaken vanzelf.

G · Gedachtensturing

Vijf vragen als je gedachten op hol slaan

Doe een stap terug: wat gebeurt hier precies?
Wie, wat, waar — wat is de trigger?
Wat zijn mijn eerste gedachten?
Wat voel ik?
Kan ik hier anders mee omgaan?
A · Ademhaling — doe mee, één minuut

5 tellen in · 5 tellen uit

adem in…adem uit…

Adem vooral goed uit. Hoe vaker je dit oefent als het rustig is, hoe beter het werkt als het spannend wordt.

S · Spierspanning — doe mee

Scan, span aan, laat los

Waar zit jouw spanning? Meestal in je kaken, je nek en je schouders. Span die plek even bewust aan — en laat dan los.

Jouw ontspannen houding is ook een signaal naar de ander: hier is het veilig.

GAS in de praktijk

Voor · tijdens · na

Vóór

Even aarden, twee keer diep ademen voordat je een lastig gesprek ingaat.

Tijdens

Merk je spanning op. Stuur je gedachten: wat gebeurt hier precies, wat is mijn taak?

Herstel: adem uit, schud het van je af. Spanning hoort bij het werk — blijven hangen in spanning niet.

Je reguleert de ander pas
als je jezelf reguleert.

Jij bent rustig.
En de ander?

Je kent nu je eigen spanning — en drie knoppen om hem terug te brengen. Tijd voor de volgende stap: wat dóé je met het gedrag van de ander?
Verder met module 3 — Handelen